Nosoden

Inleiding

De invloed van de verandering van ons leefmilieu op de menselijke gezondheid en maatschappij blijft niet uit. In de afgelopen 40 jaar had het menselijk organisme met méér toxische stoffen te kampen dan in de 400 jaar daarvoor! De belastende invloed op het lichaam speelt daarbij een rol die niet onderschat mag worden. Deze zogenaamde globale toxische situatie heeft reeds tot talrijke chronische ziekten geleid, waarvan de diagnose ondanks moderne technische methoden nog moeilijk is, aangezien de meeste artsen de symptomen van dergelijke ziekten nog niet kennen en men ook in ziekenhuizen met deze latente toestanden slechts weinig weet te beginnen.

Verder is gebleken dat

ook in ons uitermate geciviliseerde tijdperk de moderne therapeutische mogelijkheden ten aanzien van deze intoxicaties beperkt zijn. Vooral in het uitgestrekte bindweefsel en ook in de parenchymcel blijven er vaak bepaalde hoeveelheden toxische stoffen achter.

Men is erin geslaagd om door middel van bio‑elektronische functiemetingen een belangrijk inzicht te krijgen in het energetische gebeuren van het menselijk organisme. De resultaten van bio‑energetische regulatiemethoden (B.F.D., E.A.P. volgens Voll, VEGA‑testmethode, enz.) wijzen erop dat in subklinische stadia, waarin men met de nu bekende methoden nog geen diagnose kan stellen, betroffen organen of orgaansystemen reeds sterk geprikkeld kunnen zijn en dat men verklaringen kan vinden voor veel klachten van de patiënten. De genoemde prikkeltoestanden kunnen als energetische storingen van elektromagnetische aard worden beschouwd.

Met behulp van het B.E.R.‑procédé is het verder mogelijk zich kwalitatief te uiten omtrent de toxische belasting van de organen. Op grond van deze ervaringen ontstonden de nosoden‑complexen.

Nosoden‑complexen zijn mengsels van verdunningen van de thans meest voorkomende toxische stoffen.

De kennis van de inentingswetten leert ons dat men met behulp van verdunningen van giften, hetzelfde gif door middel van geïnduceerde enzymreacties uit zijn celverbinding kan losmaken, respectievelijk ontgiften. Er zijn echter nog andere humorale drainagemiddelen voor nodig om het gif voorgoed via de natuurlijke afleidingswegen (huid, darm, nieren, longen) uit het lichaam te verwijderen, zoals bijv. de homeopathische complex-therapeutica SIMILIAPLEXE® . Nosoden‑complexen zijn dientengevolge geneesmiddelen, “want het is de dosis die een gif in een medicijn verandert” (Paracelsus).

Bij de nosoden-complexen gaat het om zeer sterk verdunde groepen van toxinen, die:

1.    een bijzondere affiniteit met bovengenoemde organen hebben;
2.    toxinen van bepaalde bacteriën;
3.    toxinen die in verband staan met speciale takken van de industrie en die de behandeling vergemakkelijken van toxische ziekten, die het gevolg zijn van het uitoefenen van een bepaald beroep.

De behandelende persoon is zodoende in staat om, rekening houdend met de richtlijnen voor de dosering, met behulp van de atoxische nosoden-complexen actuele toxische belastingen met succes te behandelen. Nosoden‑complexen kunnen ook met de B.E.R.‑methode getest worden. Zie voor een verklaring van de meetpunten het boek: “Topographische Lage der Mebpunkte der Elektroakupunktur ‑ Bildbände, Testband, Ergänzungsband”

van R. Voll., uitgeverij M.‑L., Uelzen (D). Dit is echter geen conditio sine qua non voor de toepassing van de nosoden‑complexen. De behandelende persoon zal de samenhang tussen een zorgvuldig samengestelde anamnese en de toepassing van nosoden‑complexen snel ontdekken. Acute vergiftigingen behoren niet tot het toepassingsgebied van nosoden-complexen.

Over de verdunning van de afzonderlijke bestanddelen in de nosoden-complexen

De verdunning van de afzonderlijke bestanddelen in de nosoden‑complexen geschiedt door middel van de door Hahnemann geïntroduceerde sterke verdunningen (potentiëring):

D1 = verdunning van 1:10
D2 = verdunning van 1:100
D3 = verdunning van 1:1.000
D4 = verdunning van 1:10.000
D5 = verdunning van 1:100.000
D6 = verdunning van 1:1 miljoen
D8 = verdunning van 1:100 miljoen
D10 = verdunning van 1:10 miljard
D12 = verdunning van 1:1 biljoen

Diverse nosoden‑complexen (bijv. metaal, prostaat) bevatten hogere verdunningen (D30), die hoger zijn dan het getal van Loschmidt D23. Bij verdunningen die hoger zijn dan D23 is er geen molecule meer van de geschudde stof in het oplosmiddel aanwezig. Logisch gezien kan men derhalve van dergelijke verdunningen ook geen farmacologisch effect verwachten. De ervaring toont echter dat deze verdunningen (D30) toch een zeer sterke werking kunnen hebben op de patiënt, waarvoor de verklaring placebo‑effect niet voldoende is, omdat vooral ook kleine kinderen sterke reacties kunnen vertonen. Dit kan niet met geloof en suggestie verklaard worden. Meer recente atoomfysicalische verworvenheden laten een interpretatie toe, volgens welke er bij hoge potenties geen sprake is van een farmacologisch, maar van een energetisch, fysicalisch effect.

Nieuwe hypothesen betreffende de werkwijze van hoge potenties en het fenomeen van de zogenaamde “sympathische middelentest” in de bio‑elektronische functionele diagnostiek door K. Kalweit en H. Schimmel.

De overwegingen worden onder andere gebaseerd op de volgende test: bij 5 patiënten die op jonge leeftijd tuberculose hadden, werd de nosode Tuberculinum D30 (hoge potentie, want hoger dan D23) op de volgende acupunctuurpunten getest: lymfe 1 rechts en links; long 1 rechts en links; allergie 1 rechts en links. Op deze punten kan men uit ervaring met de middelentest een eventuele tuberculotoxicose vaststellen. Bij alle patiënten waren de uitgangswaarden hoger dan 70, met meer of minder sterkere afwijkingen van de wijzer. De gemeten waarden moeten dientengevolge in de zin van B.F.D. en E.A.P. als pathologisch worden beschouwd. Na contact met een ampul Tuberculinum D30 veranderden alle waarden meer dan 20 deelstrepen in de richting van de normale waarde (40), waarbij de afwijkingen van de wijzer ten dele geheel verdwijnen of nog maar zeer discreet optreden. Dezelfde meting werd herhaald met een ampul Tuberculinum D30, die uit hetzelfde materiaal bestond, maar die door destillatie verhit was. Daarbij deed het fenomeen van het aanspreken respectievelijk van een wijzercorrectie zich niet voor.

Wij moeten er toch van uitgaan dat medicamenten, ook hoge potenties, een elektromagnetische straling of een elektrisch veld beïnvloeden. Ook het menselijk organisme emitteert alleen al vanwege zijn temperatuur een breed en continu spectrum. Daarbij komt nog de straling uit het intercellulaire communicatiebereik, die, ook al is zij aanzienlijk zwakker, eveneens nog naar buiten dringt. Dit stralingsveld beleeft op de plaats van het medicament een verandering die specifiek is voor dit medicament. Een deel wordt geabsorbeerd, langlevende bestanddelen in het medicament worden opgeroepen en vormen nu op hun beurt een karakteristiek spectrum van emissie, dat door de naburige cellen wordt opgenomen. Men kan aannemen dat daarbij zowel van een elektromagnetisch communicatiesysteem met lichtsnelheid als van een versterking via het zenuwstelsel gebruik wordt gemaakt. Bovendien vermoedt men dat de energie van het zenuwstelsel door het hormonale‑biochemische systeem wordt versterkt. Door ladingdragers ter beschikking te stellen (elektronen en ionen) komt aan het einde aan de meetpunten een specifiek meetresultaat tot stand. Hier dient nog vermeld te worden dat het gemeten “orgaan” respectievelijk zijn functie in het verloop van de versterking geïntegreerd is. De langlevende bestanddelen van de groepen watermoleculen zouden dientengevolge in Tuberculinum D30 door de destillatie verdwenen kunnen zijn, waardoor echter ook het van tevoren aanwezige, specifieke elektrische veld zou zijn vernietigd.

Samenvatting:

Ter verklaring van de werkwijze van het Bio‑Energetische Regulatieprocédé (B.E.R.) is een eenvoudig causaal model niet voldoende. Het gaat hier om een ingewikkeld communicatie‑ en regelcircuitsysteem dat via een trapsgewijze versterking van de van het medicament uitgaande signalen, die veel minder energetisch zijn, tot een specifieke verandering van de aanduiding op het meetinstrument leidt. Daarbij is het met het meetpunt overeenstemmende orgaan respectievelijk de functie ervan geheel in dit systeem geïntegreerd, zodat de gemeten waarde een specifieke conclusie toelaat met betrekking tot het orgaan en zijn werking. Aan de universiteit van Utrecht konden Van Wijk en Wiegant de grote betekenis van de omstreden middelentest bewijzen aan de hand van drukgeïnduceerde veranderingen van de weerstand van de huid*.

 

De belangrijkste toelichtingen stammen van:

Dr. rer. nat. K. Kalweit, Dipl. Physiker

Ten dele overgenomen uit het tijdschrift: “Bild der Wissenschaft” , nr. 1 (1976), “Zellresonanz”.

* Van Wijk and F. A. C. Wiegant: Homoepathic remedies and pressure ‑ incluced changes in the galvonic resistance of the skin., Department of Molecular Cell Biology. State University Utrecht, Research unit for Complementary Medicine, Padualaan 8, 3584 Utrecht‑Netherlands.